Baker Tilly

Viseert de fiscus voortaan ook uw managementvennootschap?


De staatssecretaris voor fraudebestrijding, John Crombez, legde met zijn ‘Actieplan Fraudebestrijding 2012-2013’ de basis voor een georganiseerde en grootschalige aanpak van (fiscale) fraude. Hierin werd ook aangekondigd dat de vele schijnstatuten zullen worden onderzocht en aangepakt. Met “schijnstatuten” bedoelt men schijnzelfstandigen en schijnwerknemers, maar ook het gebruik (of misbruik) van de managementvennootschap.

Heeft dit Actieplan Fraudebestrijding ook gevolgen voor ùw managementvennootschap? Is het werkelijk de intentie van onze regering om het bestaan van àlle managementvennootschappen in vraag te stellen? Of anders gesteld: wanneer ziet de fiscus misbruik in een managementvennootschap en welke rol speelt de nieuwe antimisbruikbepaling (artikel 344 §1 WIB92) hierin?

De invloed van de nieuwe antimisbruikbepaling.

De vraag of de nieuwe, verruimde antimisbruikbepaling van toepassing zal zijn op de managementvennootschap, kan niet eenvoudig met “ja” of “neen” beantwoord worden. Ook in de recent gepubliceerde circulaire over de toepassing van de antimisbruikbepaling vindt men geen antwoord op de vraag of de managementvennootschap in het algemeen een fiscaal misbruik inhoudt. De visie van de Minister van Financiën,Steven Vanackere, is wel duidelijk : de administratie kàn op basis van feitelijke omstandigheden het bewijs leveren dat er fiscaal misbruik in het spel is, in welk geval de antimisbruikbepaling van toepassing zal zijn.

Wat is misbruik ? Een verrichting in strijd met de bedoeling van de wetgever of een kunstmatige constructie.

Volgens de vernieuwde formulering van artikel 344 § 1 WIB92 is er sprake van fiscaal misbruik, wanneer een verrichting in strijd is met de doelstellingen van een fiscale bepaling, hetzij om buiten het toepassingsgebied van een fiscale bepaling te vallen, hetzij om in aanmerking te komen voor het fiscaal voordeel van een bepaling. Men zegt in dit geval dat de bedoeling van de wetgever 'gefrustreerd' wordt.

In vele gevallen is het echter niet eenvoudig om de specifieke doelstelling van de wetgever te bepalen. Volgens de circulaire moet de strijdigheid met de doelstellingen van de fiscale wetgeving gezien worden in de context van het begrip 'volstrekt kunstmatige constructie'. Van zo’n 'volstrekt kunstmatige constructie' is sprake wanneer de verrichting, in dit geval de oprichting of het gebruik van de managementvennootschap, niet past binnen de economische doelstellingen van de fiscale wetgeving of niet strookt met de economische werkelijkheid.

Dit is de theorie. Maar wat wil dit concreet zeggen voor uw managementvennootschap? “Frustreert” het gebruik van uw managementvennootschap de fiscale wetgeving?

Misschien eerst nog even terug naar de basis : Het is geweten dat een managementvennootschap vaak wordt opgericht om herkwalificatie inzake schijnzelfstandigheid te vermijden. Wanneer sprake is van schijnzelfstandigheid, oordeelt de rechtspraak reeds geruime tijd dat het leveren van diensten via een vennootschap niet kan vermijden dat het statuut van zaakvoerder van de vennootschap wordt geherkwalificeerd naar dat van werknemer. Ook al werd dit nog niet expliciet bevestigd, het zou logisch zijn dat de belastingadministratie de negen criteria uit de sociale wetgeving (zie artikel Zelfstandige? Of is het maar schijn?) als checklist zal gebruiken om na te gaan of al dan niet sprake is van schijnzelfstandigheid. Kortom, wanneer de vennootschap werd opgericht met als doel om schijnzelfstandigheid te verdoezelen, gaat het om een kunstmatige constructie en houdt dit misbruik van de managementvennootschap in. Ingeval van twijfel kan u dus best zelf al eens de oefening maken op basis van de negen criteria om na te gaan of u aan het nieuwe prototype van (schijn)zelfstandige beantwoordt en een verhoogde kans loopt op problemen met de fiscus.

Wat de diensten die klassiek geleverd worden door de managementvennootschap betreft, kan u enigszins gerust zijn: voor zelfstandige bestuurders of leden van het directiecomité blijft nog steeds het wettelijk vermoeden van zelfstandigheid gelden. Wel moet u weten dat dit vermoeden slechts betrekking heeft op de bestuurstaken, waardoor eventuele andere diensten die los staan van het bestuursmandaat eigenlijk nog steeds kunnen getoetst te worden aan de nieuwe criteria.

Een constructie om in aanmerking te komen voor het fiscaal voordeel van een bepaling, is ook misbruik.

De vraag is alleen of er nog veel fiscaal voordeel is bij het gebruik van de managementvennootschap?

Door de oprichting van een managementvennootschap zullen de inkomsten a priori in de vennootschapsbelasting belast worden in plaats van in de personenbelasting. Het uitgangspunt was steeds dat de belasting van de inkomsten in de vennootschapsbelasting fiscaal gunstiger is dan de belasting in de personenbelasting. De wijzigingen in de fiscale wetgeving vanaf 2013, werpen echter stilaan een ander licht op de situatie, waardoor men zich de vraag moet stellen of het werken binnen een vennootschap nog veel voordelen biedt. Wanneer een vennootschap haar winst na belasting (aan 33.99%) volledig uitkeert als dividend, zal de aandeelhouder in 2013 uiteindelijk slechts 49.51% van de winst voor belastingen ontvangen, door de inhouding van 25% roerende voorheffing. Dit komt neer op een totale aanslagvoet van 50.49%. In de personenbelasting is het marginaal tarief 53,5%. Voeg daaraan nog toe de impact van andere voordelen die recent beperkt werden, zoals de verhoging van de voordelen alle aard voor bewoning en elektriciteit, het fiscale voordeel van bedrijfswagens en de afschaffing van de interne pensioenvoorziening. Rekening houdende met de hogere werkingskosten van het aanhouden van een vennootschap, zal de fiscus het steeds moeilijker hebben om te stellen dat de managementvennootschap gebruikt wordt om zich binnen het toepassingsgebied van een wetgeving (zijnde de vennootschapsbelasting) te stellen om een fiscaal voordeel te genieten.

Uiteraard zullen op inkomsten die in de vennootschapsbelasting belast worden geen sociale bijdragen verschuldigd zijn, terwijl dit in de personenbelasting wel het geval is. Ook al vormt dit een belangrijk voordeel, artikel 344 § 1 WIB92 verwijst voor de definitie van 'misbruik' enkel naar het Wetboek Inkomstenbelastingen en de ter uitvoering hiervan genomen besluiten en niet naar de bepalingen van de Sociale Zekerheid.

Verdediging : bewijs van niet-fiscale motieven.

Wanneer de fiscus argumenteert dat er sprake is van fiscaal misbruik, kan de belastingplichtige het bewijs leveren dat de rechtshandeling (oprichting van de managementvennootschap) gesteld is omwille van andere motieven dan het ontwijken van inkomstenbelastingen, met andere woorden: door te bewijzen dat niet-fiscale motieven aan de basis lagen van de oprichting.

Voor een bedrijfsleider die een managementvennootschap heeft opgericht, blijft het belangrijkste motief om een vennootschap te gebruiken overeind, namelijk de beperking van zijn (hoofdelijke) aansprakelijkheid en de bescherming van zijn privévermogen. Ook al kan deze bestuurdersaansprakelijkheid ook op andere manieren beperkt worden (bv door het afsluiten van een verzekering burgerlijke aansprakelijkheid), toch biedt de oprichting van een vennootschap nog steeds de beste bescherming. Andere niet-fiscale motieven zijn o.a. het afschermen van de beroepsactiviteiten en beroepsinkomsten in geval van echtscheiding, het mogelijk maken van een efficiëntere organisatie, …

Wat de niet-fiscale motieven van een (vroegere) werknemer betreft, liggen de zaken vaak iets moeilijker, en zal het erop aankomen om te bewijzen dat de omstandigheden en relaties in sterke mate zijn gewijzigd. Temeer wanneer het een eenmans-BVBA betreft waarin een ex-werknemer slechts voor één opdrachtgever werkt en de vennootschap weinig of geen investeringen moet doen in bedrijfsactiva. Net omdat de afwezigheid van een band van ondergeschiktheid tussen de vroegere werknemer en de werkgever een doorslaggevend criterium is om niet als 'schijnzelfstandige’ te worden bestempeld, zal het heel belangrijk zijn om aan te tonen dat de ex-werknemer voortaan volledige autonomie heeft in verband met de organisatie van de te leveren prestaties, de organisatie van werktijd enz…, en zelf de risico’s draagt met betrekking tot zijn activiteit. Dé basis bij een eventuele controle van de fiscus blijft de wil van de partijen. De overeenkomst waarin de partijen vorm geven aan hun samenwerking blijft dus cruciaal, net als de toetsing van deze overeenkomst aan de economische werkelijkheid. Een goede analyse van de samenwerking in het licht van de negen nieuw geformuleerde criteria is dus aangewezen.

Conclusie

Men kan nooit uitsluiten dat de fiscus vragen stelt in verband met uw managementvennootschap, maar in principe hoeft u van de nieuwe antimisbruikbepaling weinig te vrezen indien uw vennootschapsstructuur overeenstemt met de economische realiteit en geen louter kunstmatig vehikel is. In eerste instantie zal de administratie nog steeds moeten bewijzen dat er een objectief element van misbruik zit in het gebruik van uw managementvennootschap. Door de verhoging van de roerende voorheffing en andere recente maatregelen wordt deze bewijslast er echter niet eenvoudiger op want het voordeel van het gebruik van de vennootschap is sterk verminderd. Wanneer u echter een vennootschap heeft opgericht zonder dat u enige niet-fiscale motieven kan aantonen, is dit een louter fictieve constructie, die door de fiscus kan beschouwd worden als misbruik. Met de huidige antimisbruikbepaling kan zij zelfs het bestaan van de vennootschap volledig negeren. Dit is een belangrijk verschil met de oude antimisbruikbepaling, die enkel toeliet dat een vennootschap zou beschouwd worden als doorgeefluik, maar nooit als onbestaande kon worden beschouwd. Hoe verregaand de gevolgen van de nieuwe bepaling zijn en in welke mate een fiscale situatie zal geherkwalificeerd worden, is alsnog onduidelijk. De toekomst zal uitwijzen op welke manier inkomsten die belastbaar waren in de vennootschapsbelasting geherkwalificeerd worden naar inkomsten belastbaar in de personenbelasting. Dit zal afhankelijk zijn van de concrete elementen van elk geval van “misbruik”. Hetzelfde geldt voor de behandeling of correctie van bepaalde kostenaftrekken die werden genomen in de vennootschap.

Met uitzondering van bewuste gevallen van misbruik, waar de vennootschap slechts een kunstmatig vehikel is, zullen in de meeste gevallen voldoende niet-fiscale motieven voorhanden zijn voor het gebruik van een vennootschap en hoeft men weinig te vrezen van de nieuwe antimisbruikbepaling.

Wenst u meer informatie over de maatregelen die in uw specifieke situatie aangewezen zijn? Aarzel dan niet om Tanja De Decker of uw dossierbeheerder te contacteren.

 

25/01/2013