Baker Tilly

Aandelenopties toegekend aan zaakvoerders van managementvennootschappen genieten niet langer van gehalveerde belastbare basis

Hoewel veel managers, bestuurders en zaakvoerders van vennootschappen hun diensten verrichten via een (éénmans-) managementvennootschap die de vergoedingen daarvoor factureert aan de opdrachtgever, wordt daar vaak van afgeweken indien diezelfde opdrachtgever de dienstverlener wenst te vergoeden met aandelenopties. De reden hiervoor is te vinden in de fiscale behandeling van aandelenopties. Luidens de wet van 26 maart 1999 worden aandelenopties die binnen de 60 dagen na aanbod schriftelijk worden aanvaard belast op het moment van hun toekenning (d.i. op de 60ste dag na het aanbod) op basis van een forfaitaire waardering. De belastbare basis bedraagt in principe 18% van de waarde van de onderliggende aandelen op de dag van het aanbod. Voor beursgenoteerde aandelen gaat het, naar keuze van de aanbieder, om de laatste slotkoers voor het aanbod of de gemiddelde slotkoers van de laatste 30 dagen voor het aanbod, terwijl voor niet-genoteerde aandelen de waarde dient vastgesteld te worden door het bestuursorgaan van de toekennende vennootschap op eensluidend advies van de commissaris van de vennootschap over wiens aandelen de opties worden toegekend. Het percentage van 18% geldt voor opties met een looptijd van 5 jaar vanaf het aanbod en wordt met 1% verhoogd per begonnen periode van een jaar na de vijfde verjaardag van het aanbod. Dus voor opties met een looptijd van 10 jaar vanaf het aanbod klokt de belastbare basis af op 23% van de waarde van de aandelen op de dag van het aanbod.

Onder bepaalde voorwaarden kan deze forfaitaire belastbare basis verminderd worden met de helft (dus 9% voor opties tot 5 jaar), verhoogd met 0,5% per begonnen jaar na het aanbod. Naast andere voorwaarden moeten de opties daarbij betrekking hebben op de aandelen van de vennootschap ten behoeve van wie de beroepswerkzaamheid wordt uitgeoefend of op aandelen in de moedervennootschap daarvan.

Op deze basis zijn dan de gewone progressieve belastingtarieven tussen 25% en 50% van toepassing. Dit is de enige belasting die verschuldigd is. De latere uitoefening van de opties en de verkoop van de aldus verkregen aandelen blijven in principe vrij van belasting.

Dit aantrekkelijk belastingregime geldt echter enkel voor opties (of warranten) die toegekend worden aan natuurlijke personen en dus niet aan vennootschappen. Dit verklaart waarom veel dienstverrichters met een managementvennootschap de opties toch in hun persoonlijke naam wensen toegekend te zien of dat de managementvennootschap de opties doorschuift naar haar zaakvoerder. De vraagt stelt zich echter of in dat geval de verlaagde belastbare basis wel kan spelen. Gezien de betrokken dienstverrichters met een managementvennootschap werken, waarvan zij de zaakvoerder zijn, oefenen zij hun beroepswerkzaamheid uit voor deze managementvennootschap en dus niet rechtstreeks voor de opdrachtgever. Om die reden lijkt in dat geval de verlaagde belastbare basis geen toepassing te vinden.

Niettemin hanteerde de centrale belastingadministratie al enige tijd een afwijkende visie hieromtrent indien twee voorwaarden voldaan waren, met name:

(i) de managementvennootschap oefent een mandaat van bestuurder of zaakvoerder uit bij de opdrachtgevende vennootschap; en

(ii) de natuurlijke persoon is aangesteld als vaste vertegenwoordiger van de managementvennootschap in het bestuursorgaan van de opdrachtgevende vennootschap, in de zin van artikel 61 van het Wetboek van Vennootschappen.

In dit specifieke geval meende de centrale administratie dat de natuurlijke persoon-vaste vertegenwoordiger moest gelijkgesteld worden met een bestuurder of zaakvoerder van de opdrachtgevende vennootschap, zodat kon geargumenteerd worden dat de verlaagde belastbare basis toch kon spelen.

Eind 2016 is hier echter wat commotie over ontstaan en heeft de Minister van Financiën beslist om deze redenering niet langer aan te houden. Er werd toen gezegd dat een en andere per aanschrijving zou worden rechtgezet.

Die aanschrijving is ondertussen op 13 april jl. gepubliceerd. In die aanschrijving wordt duidelijk vermeld dat in alle omstandigheden en ongeacht of de managementvennootschap een bestuursmandaat uitoefent bij de opdrachtgevende vennootschap of niet, de zaakvoerder van de managementvennootschap zijn beroepswerkzaamheid uitoefent ten behoeve van de managementvennootschap en niet ten behoeve van de klant (opdrachtgever) van de managementvennootschap. Bijgevolg komen de aan de zaakvoerder toegekende opties niet in aanmerking voor de halvering van het belastbaar voordeel.

Belangrijk om op te merken is dat dit gewijzigd standpunt enkel van toepassing is op toekenningen van opties, waarvan de aanboddatum na publicatie van de circulaire valt, dus voor aanbiedingen vanaf 14 april 2017.

Voor verdere toelichting kan u zich wenden tot Marc De Munter van onze Consultingafdeling of tot uw dossierbeheerder.

27/04/2017