Baker Tilly

Sociaalrechtelijke voor- en nadelen van het zelfstandigenstatuut

Eén van de voordelen van een zelfstandige samenwerking is de vermindering van de parafiscale druk ten opzicht van een werkgever-werknemerrelatie.

Een zelfstandige is sociale zekerheidsbijdragen verschuldigd op basis van het geherwaardeerd inkomen van 3 jaar terug. Indien het beroepsinkomen van de zelfstandige een bepaalde limiet (81.649,43 EUR) overschrijdt, zijn er geen bijkomende sociale zekerheidsbijdragen meer verschuldigd op het excedent. Werknemers daarentegen zijn ongelimiteerd sociale zekerheidsbijdragen verschuldigd ten belope van 13,07%. Bovendien dient de werkgever nog een patronale RSZ-bijdrage van ongeveer 30% à 35% af te dragen. Bij een zelfstandige samenwerking is de opdrachtgever geen werkgeversbijdragen voor sociale zekerheid verschuldigd.

Naast het financiële aspect, zijn er ook nog een aantal andere elementen op vlak van arbeidsrecht en sociaal recht waarmee men dient rekening te houden. Zo is een zelfstandige niet gebonden aan de strikte reglementering van de arbeidswetgeving en heeft hij bijgevolg de vrijheid om zelf zijn werk en arbeidstijd te organiseren. De reglementering inzake arbeidstijd zoals daar zijn overuren, nachtarbeid, zondagarbeid en feestdagenarbeid zijn op de zelfstandige niet van toepassing.

Keerzijde van de medaille is wel dat een zelfstandige geen arbeidsrechtelijke bescherming geniet zoals bijvoorbeeld een ontslagbescherming en loonbescherming. Daarnaast is ook de bescherming op het vlak van sociale zekerheid veel beperkter bij zelfstandigen dan bij werknemers zoals bijvoorbeeld de pensioenrechten, rechten bij werkloosheid en arbeidsongeschiktheid.

Bovendien is de aansprakelijkheid als zelfstandige veel ruimer dan deze van een werknemer.

Daarnaast zijn er ook nadelen aan een zelfstandige samenwerking voor de opdrachtgever. Zo zal hij minder toezicht kunnen uitoefenen op een zelfstandige dan op een werknemer en ligt de inpassing in de bedrijfscultuur en hiërarchie gevoelig. Om maar te zwijgen over het risico na herkwalificatie in geval van schijnzelfstandigheid.

Zoals uit het vorige artikel (Zelfstandige? Of is het maar schijn?) is gebleken, kunnen partijen de kwalificatie van de arbeidsrelatie tussen opdrachtgever en uitvoerder vrij kiezen. Echter, indien blijkt dat op basis van de concrete omstandigheden, de uitvoering niet in overeenstemming is met de gemaakte keuze, kan de RSZ overgaan tot herkwalificatie met alle gevolgen van dien.

Wat zijn de sociaalrechtelijke gevolgen van herkwalificatie?

Indien de RSZ overgaat tot een herkwalificatie van een zelfstandige samenwerkingsovereenkomst in een arbeidsovereenkomst, zijn er aan de RSZ socialezekerheidsbijdragen verschuldigd. Deze bijdragen worden berekend op de vergoedingen die aan de werknemer als zelfstandige werden betaald en worden verhoogd met een éénmalige bijdrage-opslag van 10% alsmede met een verwijlinterest van 7% per jaar. Bij herkwalificatie door de RSZ, kan de RSZ tot 3 jaar teruggaan om de socialezekerheidsbijdragen terug te vorderen.

Belangrijk om weten is dat de opdrachtgever niet alleen de werkgevers- (+/- 35%) doch ook de werknemersbijdragen (13,07%) dient te betalen, zonder een mogelijkheid tot terugvordering van de niet ingehouden werknemersbijdragen van de werknemer. De werknemer/schijnzelfstandige blijft dus volledig buiten schot. Alleen de “werkgever” is aansprakelijk ten opzichte van de RSZ wat betreft verschuldigde werkgevers- én werknemersbijdragen voor sociale zekerheid. Het is niet mogelijk om het risico op de werknemer te leggen door deze contractueel aansprakelijk te stellen voor de betaling van de RSZ-bijdragen, vermits een dergelijke clausule strijdig is met artikel 26 van de RSZ-wet en derhalve nietig. Dit kan anders zijn bij constructies met een managementvennootschap.

Wat zijn de arbeidsrechtelijke gevolgen van herkwalificatie?

Aangezien de opdrachtgever/werkgever gedurende de zelfstandige samenwerking een aantal vergoedingen die normaal aan werknemers verschuldigd zijn (wellicht) niet aan de schijnzelfstandige heeft betaald, kan deze laatste vergoedingen vorderen. Het kan daarbij gaan om een opzeggingsvergoeding, het enkel en dubbel vakantiegeld, het feestdagenloon, eindejaarspremies, bij CAO voorziene premies of vergoedingen, niet toegepaste indexeringen en eventueel loon voor overuren. Deze vergoedingen zullen worden berekend op de vergoeding die de schijnzelfstandige ontving. Een dergelijke situatie zal zich wellicht enkel maar voordoen bij een conflict tussen de opdrachtgever en de schijnzelfstandige.

Wat zijn de gevolgen van herkwalificatie op vlak van directe belastingen?

Als gevolg van de herkwalificatie van zelfstandige naar werknemer, worden de betaalde vergoedingen als bezoldigingen beschouwd. De opdrachtgever, die door de herkwalificatie als werkgever wordt aanzien, is dan ook verplicht om bedrijfsvoorheffing in te houden. Het feit dat de vergoedingen nu als bezoldigingen worden aanzien, heeft echter geen impact op het belastingtarief (in het geval de schijnzelfstandige opereerde als eenmanszaak).

Het is duidelijk dat de gevolgen op sociaalrechtelijk, arbeidsrechtelijk en fiscaal vlak een financiële dobber kunnen zijn voor de opdrachtgever. Niet onbelangrijk om op te merken hier is dat niet enkel de RSZ de herkwalificatie kan vragen, maar ook de “schijnzelfstandige” zelf.

Vaak wordt een managementvennootschap opgericht omdat men denkt zo de problematiek van schijnzelfstandigheid “op te lossen”. Dat ook dit niet zonder gevaar is indien deze structuur niet strookt met de economische werkelijkheid, kan u lezen in het volgend artikel “Viseert de fiscus ook uw managementvennootschap?”.

Wenst u over dit alles meer te weten, neem dan contact op met Yves Coppens of uw dossierverantwoordelijke.

 

25/01/2013