Baker Tilly

Schijnzelfstandigheid in de schoonmaaksector

De wetgever heeft enkele jaren geleden een aantal algemene criteria vastgelegd op basis waarvan wordt geoordeeld of een persoon een zelfstandige of een werknemer is:

  • de wil van partijen om al dan niet op zelfstandige basis samen te werken;
  • de vrijheid van werkorganisatie;
  • de vrijheid van werktijdorganisatie;
  • de mogelijkheid van hiërarchische controle.

Voor bepaalde sectoren, waaronder de schoonmaaksector, werden echter specifieke criteria opgelegd. De persoon werkzaam in een schoonmaakonderneming die aan minstens 5 van deze 9 criteria voldeed, werd vermoed een werknemer te zijn. De persoon had wel de mogelijkheid om het tegenbewijs te leveren.

Deze regels bleken moeilijk toepasbaar in de schoonmaaksector, zodat de wetgever hier een mouw heeft aan gepast.

Sinds 8 januari 2017 geldt dat elke persoon die actief is in de schoonmaaksector, wordt geacht te werken onder een arbeidsovereenkomst. Het vermoeden van werknemer te zijn, hangt dus niet langer af van bepaalde criteria, maar wordt als uitgangspunt genomen bij schoonmaakondernemingen.

Het vermoeden is evenwel weerlegbaar. Dit tegenbewijs kan evenwel niet op eender welke grond worden geleverd. De persoon die geacht wordt een werknemer te zijn, zal om het vermoeden te weerleggen moeten aantonen dat hij/zij:

  • niet gewoonlijk en hoofdzakelijk voor één enkele co-contractant werkt, én
  • de activiteiten uitoefent met eigen materiaal, én
  • factureert voor eigen rekening.

Wenst u hierover meer te weten te komen of heeft u specifieke vragen, aarzel dan niet om contact op te nemen met Ann Gobien of uw dossierverantwoordelijke.

 
27/04/2017