Baker Tilly

Het niet-concurrentiebeding

Grenzen aan het begrenzen

Voor ondernemingen is het cruciaal dat hun opgebouwde know-how niet voor iedereen beschikbaar is, zodat zij daar hun concurrentieel voordeel uit kunnen halen. Sommige kennis en creaties worden beschermd door intellectuele rechten. Voor know-how dat niet van een dergelijke specifieke wettelijke bescherming kan genieten, is het van belang dat vertrouwelijkheidsafspraken worden gemaakt om de know-how geheim te houden. Een ander mechanisme dat de gewenste bescherming kan creëren of versterken, is het vastleggen van niet-concurrentieafspraken. Met dergelijke afspraken wordt gestreefd naar het behouden van know-how en, breder, naar het behouden van cliënteel. De onderneming wil zo ook de “eerlijke” concurrentie aan banden leggen.

De vraag rijst dan met wie de onderneming best niet-concurrentieafspraken maakt. Indien de onderneming werkt met zelfstandigen/dienstverleners, wordt dergelijk beding opgenomen in de overeenkomst die tussen partijen wordt gesloten. Vele ondernemingen wensen deze afspraken ook te maken met hun werknemers. Vaak wordt aan de aandeelhouders van de onderneming gevraagd om er zich expliciet toe te verbinden om de onderneming niet te beconcurreren en zodoende toe te treden tot de aandeelhoudersovereenkomst. Daarenboven worden ook dikwijls de vennootschapsmandatarissen (zaakvoerders, bestuurders, gedelegeerd bestuurders) verzocht om dergelijk engagement aan te gaan bij het ondertekenen van een mandaatovereenkomst. In onderhandelingen met distributeurs, handelsagenten en andere commerciële partners trachten ondernemingen het niet-concurrentiebeding naar voor te schuiven als een voorwaarde voor de samenwerking. Tot slot wordt bij de overdracht van een handelszaak of bedrijfstak door de overnemer de niet-concurrentieverplichting gevraagd van de overlater.

Gelet op het beginsel van de vrijheid van handel en nijverheid, moeten strikte voorwaarden gerespecteerd worden bij het vastleggen van het niet-concurrentiebeding, dat per definitie de vrijheid van ondernemen aan banden legt.

Deze voorwaarden zijn slechts voor enkele soorten overeenkomsten wettelijk geregeld, ondermeer voor arbeidsovereenkomsten en handelsagentuurovereenkomsten. Bij arbeidsovereenkomsten zijn deze voorwaarden tweeledig. Enerzijds zijn er de bestaansvoorwaarden van een dergelijk beding, zoals het loon dat de werknemer minimaal moet verdienen om een niet-concurrentiebeding te mogen opnemen in de overeenkomst. Indien de bestaansvoorwaarden zijn vervuld en een niet-concurrentiebeding mag worden opgenomen, zal het beding zelf aan een aantal geldigheidsvoorwaarden moeten voldoen die bepaald zijn in de wet.

Voor de overeenkomsten waarvoor geen wettelijk regeling voorhanden is, blijkt uit de rechtspraak en rechtsleer dat het niet-concurrentiebeding slechts geldig is indien het beperkt is op 3 vlakken: betreffende de aard van de uitgesloten activiteiten, in de tijd en in de ruimte. De concrete beperkingen moeten redelijk en geoorloofd zijn, hetgeen in elk specifiek geval anders zal beoordeeld worden.

Het is van het grootste belang dat er wordt op toegezien dat alle voorwaarden vervuld zijn. De sanctie bij het niet-respecteren ervan, is immers bijzonder zwaar. In principe zijn er maar twee mogelijkheden: ofwel is het beding geldig, ofwel is het beding in zijn geheel nietig. Recente cassatierechtspraak heeft voormeld hakbijleffect echter bijgesteld. Het is voortaan mogelijk voor de rechter om een ongeldig niet-concurrentiebeding te matigen tot de toelaatbare grenzen, en het niet nietig te verklaren. Ook hier is een voorwaarde aan gekoppeld: matiging is slechts toegelaten indien partijen in de overeenkomst de mogelijkheid tot matiging expliciet hebben opgenomen in een zogenaamd “matigingsbeding”.

Indien een onderneming een niet-concurrentiebeding wenst op te nemen in haar overeenkomsten, is het dus van het grootste belang dat er wordt op toegezien dat alle voorwaarden zijn vervuld, zoals ondermeer de beperking in tijd, in ruimte en wat betreft de aard van de uitgesloten activiteiten. Daarenboven wordt er best ook op toegezien dat er een matigingsbeding is gestipuleerd.

Indien u meer informatie wenst omtrent dit onderwerp kan u steeds contact opnemen met Anne Roucourt of uw dossierbeheerder.

 
28/10/2015